Nieuws

Prejudiciële vragen inzake Verdrag van Aarhus en toepasselijkheid artikel 6:13 Awb in milieuzaken

Het Hof heeft (kortgezegd) geoordeeld dat artikel 9, lid 2 van het Verdrag van Aarhus zich er tegen verzet dat de ontvankelijkheid van het ‘betrokken publiek’ (belanghebbenden) afhankelijk wordt gesteld van hun deelname aan de bestuurlijke voorbereidingsprocedure voor het bestreden besluit. Daarmee is de staf gebroken over de toepassing van artikel 6:13 Awb in milieuzaken en kan een belanghebbende niet (meer) worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend als bedoeld in artikel 3:15 Awb in een bestuurlijke voorbereidingsprocedure (bezwaar of administratief beroep).

Achtergrond
De Rechtbank Limburg heeft in een uitspraak van 21 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:12159, overwogen dat de ontvankelijkheid van eiseres (een natuurlijk persoon) en eiseressen (rechtspersonen) dient beoordeeld te worden in het licht van artikel 6:13 van de Awb. De rechtbank vraagt zich af in hoeverre deze (ambtshalve te boordelen) ontvankelijkheidsdrempels verenigbaar zijn met het Europese recht en in het bijzonder het Verdrag van Aarhus. In de verwijzingsuitspraak legt de rechtbank in het licht van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het Hof van Justitie een aantal vragen voor.

Het Verdrag van Aarhus regelt de bescherming van het recht van personen op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Voor deze uitspraak zijn specifiek het tweede en derde lid van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus relevant. Daarin wordt bepaald hoe de EU-lidstaten moeten waarborgen dat het (betrokken) publiek toegang heeft tot de rechter.

De rechtbank ziet in de in de rechtsoverwegingen van enkele arresten van het Hof voldoende grond om te twijfelen over de verenigbaarheid van artikel 6:13 van de Awb met het Europese recht en in het bijzonder het Verdrag van Aarhus.

Derhalve heeft de rechtbank aan het Hof van Justitie EU een zestal vragen voorgelegd over de uitleg van het Europese recht (met name het Verdrag van Aarhus) ten aanzien van inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden en de verenigbaarheid van enkele nationaalrechtelijke bepalingen hiermee.

Hof van Justitie EU
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 9, lid 2, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat is gesloten te Aarhus (Denemarken) op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de leden van het in artikel 2, punt 4, van dit verdrag bedoelde „publiek” als zodanig geen toegang tot de rechter hebben om op te komen tegen een besluit dat binnen de werkingssfeer van artikel 6 van dat verdrag valt. Daarentegen verzet artikel 9, lid 3, van dat verdrag zich er wel tegen dat deze personen geen toegang tot de rechter kunnen hebben om zich te beroepen op ruimere rechten op inspraak in het besluitvormingsproces die alleen door het nationale milieurecht van een lidstaat worden verleend.

2) Artikel 9, lid 2, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat is gesloten te Aarhus op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2005/370, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de ontvankelijkheid van het daarin bedoelde beroep in rechte, dat wordt ingesteld door niet-gouvernementele organisaties die deel uitmaken van het in artikel 2, punt 5, van dat verdrag bedoelde „betrokken publiek”, afhankelijk wordt gesteld van hun deelname aan de voorbereidingsprocedure voor het bestreden besluit, ook al is deze voorwaarde niet van toepassing wanneer hun redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij daar niet aan hebben deelgenomen. Daarentegen verzet artikel 9, lid 3, van dat verdrag zich er niet tegen dat de ontvankelijkheid van een daarin bedoeld beroep in rechte afhankelijk wordt gesteld van de deelname van de verzoeker aan de voorbereidingsprocedure voor het bestreden besluit, tenzij hem, gelet op de omstandigheden van de zaak, redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij hier niet aan heeft deelgenomen. 

Conclusie
Het Europese Hof van Justitie oordeelt dat het Verdrag van Aarhus zich inderdaad ertegen verzet dat de ontvankelijkheid van het in artikel 9 lid 2 van het Verdrag van Aarhus bedoelde beroep in rechte, dat is ingesteld door niet-gouvernementele organisaties die deel uitmaken van het 'betrokken publiek', afhankelijk wordt gesteld van de deelname van de betreffende appellant aan het besluitvormingsproces dat tot de vaststelling van het bestreden besluit in kwestie heeft geleid.

Het Hof heeft (kortgezegd) geoordeeld dat artikel 9, lid 2 van het Verdrag van Aarhus zich er tegen verzet dat de ontvankelijkheid van het ‘betrokken publiek’ (belanghebbenden) afhankelijk wordt gesteld van hun deelname aan de voorbereidingsprocedure voor het bestreden besluit. Daarmee is de staf gebroken over de toepassing van artikel 6:13 Awb in milieuzaken en kan een belanghebbende niet (meer) worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend als bedoeld in artikel 3:15 Awb in een bestuurlijke voorbereidingsprocedure (bezwaar of administratief beroep). 

Is een natuurlijk persoon geen belanghebbende en heeft deze verschoonbaar geen zienwijze ingediend in de voorbereidingsprocedure, dan moet hij toch ontvankelijk worden verklaard volgens het onderhavige arrest, doch dan kan wel artikel 6:13 Awb worden tegengeworpen in het kader van de goede procesorde vanwege het niet indienen van een zienswijze.

Bron: 
Categorieën: 
Dossiers: