Nieuws

KB onteigening gemeente Hoeksche Waard (terinzagelegging stukken)

Reclamante betoogt dat het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 63 van de Onteigeningswet bedoelde stukken niet in de betrokken gemeente ter inzage zijn gelegd. Volgens de Kroon heeft reclamante volledig kennis kunnen nemen van de stukken en zij heeft in volle omvang haar zienswijze naar voren kunnen brengen. Er is naar oordeel van de Kroon daardoor geen sprake van een schending is van het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Reclamante is dan ook niet in haar belangen geschaad.

Koninklijk Besluit van 23 januari 2020, nr. 2020000142, inzake onteigening ingevolge Titel IIa van de Onteigeningswet in de gemeente Hoeksche Waard (reconstructie van de provinciale weg N489). De Kroon oordeelt ter zake onder meer als volgt.

Reclamante betoogt dat het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 63 van de onteigeningswet bedoelde stukken niet in de gemeente waarin de betrokken onroerende zaken zijn gelegen, ter inzage zijn gelegd. 

Uit de aan de Kroon overgelegde stukken en het door de Kroon ingestelde onderzoek blijkt dat de stukken wel degelijk en compleet ter inzage hebben gelegen op de locatie die in de kennisgeving is vermeld, namelijk W. van Vlietstraat 6 in Oud-Beijerland. Dit blijkt ook uit de verklaring die de burgemeester van de gemeente Hoeksche Waard heeft ondertekend na de terinzagelegging. Wel heeft de gemeente bevestigd dat de vertegenwoordiger van reclamante door een medewerker naar de locatie in Maasdam is verwezen. Deze medewerker was niet op de hoogte van het feit dat de stukken in Oud Beijerland ter inzage lagen. In Maasdam was ook een compleet dossier met onteigeningsstukken aanwezig en de vertegenwoordiger van reclamante heeft deze stukken daar ingezien, zoals ook uit de zienswijze blijkt. 

Volgens de zienswijze was het dossier dat de vertegenwoordiger heeft ingezien niet compleet. Tijdens de hoorzitting heeft de vertegenwoordiger kenbaar gemaakt dat de stukken met betrekking tot het minnelijke overleg en een belanghebbendenlijst ontbraken. Ten aanzien hiervan overweegt de Kroon in algemene zin dat de ter inzage te leggen onteigeningsstukken dienen te worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen in artikel 63, lid 2 van de Onteigeningswet en de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016 van Rijkswaterstaat Corporate Dienst (hierna: de Handreiking). Zoals de Kroon eerder in de Koninklijke besluiten van 11 februari 2014, nr. 2014000313 (Stcrt. 28 februari 2014, nr. 5443), 7 april 2015, nr. 2015000607 (Stcrt. 20 mei 2015, nr. 11629), 23 mei 2017, nr. 2017000502 (Stcrt. 12 april 2017, nr. 18508) en 12 oktober 2017, nr. 2017001756 (Stcrt. 7 november 2017, nr. 61136) hebben overwogen, moeten deze stukken een uitgewerkt en uitvoerig inzicht te geven in de oppervlakten van onroerende zaken die noodzakelijk zijn voor de aanleg van de te maken werken. De door reclamante bedoelde logboeken van het gevoerde minnelijk overleg en de belanghebbenden maken hier geen deel van uit. De logboeken worden door de Kroon wel bij de ambtshalve beoordeling van de noodzaak van het onteigeningsverzoek betrokken. Het staat een belanghebbende vrij deze logboeken desgewenst op te vragen. Zoals uit de zienswijze blijkt heeft de vertegenwoordiger van reclamante de stukken met betrekking tot het minnelijke overleg met reclamante per e-mail opgevraagd en ontvangen. Reclamante heeft dus volledig kennis kunnen nemen van de stukken en zij heeft in volle omvang haar zienswijze naar voren kunnen brengen. Er is naar oordeel van e Kroon daardoor geen sprake van een schending is van het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Reclamante is dan ook niet in haar belangen geschaad.)

Bron: 
Zie ook: 
Categorieën: 
Dossiers: