Nieuws

KB onteigening gemeente Haarlemmermeer (zelfrealisatie)

Naar oordeel van de Kroon doet het beroep op zelfrealisatie van reclamante 1 in dit geval niet af aan de noodzaak tot onteigening van de benodigde gronden. Vast staat dat de sportvoorzieningen meer grond beslaan dan reclamante 1 in eigendom heeft. Reclamante 1 kan de bestemming daarom niet geheel op eigen grond realiseren. Anders dan reclamante 1 betoogt, ziet de Kroon geen grond voor het oordeel dat de te onteigenen grond een afzonderlijk zelfstandig uit te voeren onderdeel vormt van het totale te realiseren sportpark, zoals het volgens het DSO door de gemeente is voorzien. Verder komt het standpunt van verzoeker dat het ondoelmatig is als de sportvelden deels door de ene en deels door een andere partij worden aangelegd, beheerd en onderhouden, de Kroon niet onjuist voor. Door reclamante 1 zijn verder tot op heden geen concrete plannen strekkende tot zelfrealisatie aan de gemeente overgelegd. Ook heeft zij geen omgevingsvergunning aangevraagd.

Koninklijk Besluit van 3 april 2020, nr. 2020000680 inzake onteigening in de gemeente Haarlemmermeer krachtens artikel 78 van de Onteigeningswet (onteigeningsplan De Veldpost). De Kroon oordeelt ter zake onder meer als volgt.

Reclamante 1 betoogt dat onteigening niet noodzakelijk en prematuur is, omdat zij bereid en in staat is om de op haar gronden rustende bestemming Sport – 2, waar het sportpark De Veldpost is voorzien, zelf te realiseren. Daartoe voert zij aan dat zij zich zal conformeren aan de wijze van planuitvoering van de gemeente die is neergelegd in het Definitief Stedenbouwkundig Ontwerp Sportpark De Veldpost uit 2015 (hierna: DSO). Verder is reclamante 1 bereid om met de gemeente een grondexploitatieovereenkomst te sluiten overeenkomstig het Exploitatieplan Badhoevedorp De Veldpost, inclusief de verplichting om een exploitatiebijdrage te voldoen. In dit verband kan tevens contractueel worden geregeld de vorm waarin en de voorwaarden waaronder de gerealiseerde sportvoorzieningen aan de sportverenigingen beschikbaar worden gesteld en kan de gemeente indien gewenst het sportpark in beheer en inhoud krijgen. Bovendien kan de continuïteit van de sportverenigingen worden gewaarborgd door middel van een huurrecht en adequate huurbepalingen. Volgens reclamante 1 is er daarbij geen verschil tussen een huurovereenkomst met een overheid of met een particuliere partij als verhuurder. De gemeente is niet bereid om een grondexploitatieovereenkomst met reclamante 1 te sluiten, maar dat betekent volgens haar niet dat zelfrealisatie niet mogelijk is. De gemeente heeft volgens haar niet inhoudelijk gereageerd op het beroep op zelfrealisatie en heeft geweigerd dit serieus op te pakken. 

Reclamante 1 voert verder aan dat de te onteigenen grond een afzonderlijk zelfstandig uit te voeren deel vormt van het te realiseren sportpark overeenkomstig het DSO. Dat zij niet over alle benodigde gronden beschikt is niet relevant, omdat zij over voldoende aaneengesloten grond beschikt om de bestemming Sport – 2 op doelmatige wijze te kunnen realiseren. Dit geldt in elk geval voor de beide clubhuizen, tribune(s) en verlichting en voor zeven van de tien sportvelden en voor circa de helft van de parkeervoorzieningen. Reclamante 1 heeft voorgesteld dat zij tevens de uitvoering van het gedeelte van het sportpark dat op gronden van de gemeente is voorzien, ter hand zal nemen. De gemeente heeft een gezamenlijk optreden echter afgewezen. Reclamante 1 betoogt dat de gemeente haar in de gelegenheid had moeten stellen om een zelfrealisatieplan in te dienen, alvorens het verzoekbesluit te nemen. 

Ondanks diverse Wob-verzoeken heeft de gemeente haar tot op heden niet de benodigde informatie verstrekt, zodat zij nog geen uitgewerkt zelfrealisatieplan met bijbehorende bestekken, tekeningen en berekeningen heeft kunnen opstellen. Ook heeft zij om die reden nog geen omgevingsvergunning kunnen aanvragen. Gezien de eisen die in het exploitatieplan worden gesteld aan de aanbestedingsprocedure, is het volgens reclamante 1 noodzakelijk dat zij specifiekere informatie krijgt van de gemeente dan die volgt uit het DSO. Volgens reclamante 1 is het nagenoeg onmogelijk om aan de eisen uit het exploitatieplan te voldoen en wordt daarmee ook een beroep op zelfrealisatie onmogelijk gemaakt. 

Tot slot verwijst reclamante 1 naar Kroon jurisprudentie over zelfrealisatie, om te onderbouwen dat het nemen van het verzoekbesluit prematuur en niet noodzakelijk was, te weten het koninklijk besluit van 13 december 2012, nr. 12.003005, Stcrt. 2013, nr. 176 (gemeente Oss) en het koninklijk besluit van 28 maart 2018, nr. 20180005741, Stcrt. 2018, nr. 22114 (gemeente Kaag en Braassem). 

Met betrekking tot het beroep op het zelfrealisatiebeginsel overweegt de Kroon in het algemeen dat bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening door haar zal worden getoetst of het doel waarvoor wordt onteigend niet te bereiken valt door het door de grondeigenaar zelf uitvoeren van de bestemmingen die aan zijn eigendom zijn toegekend. Indien de eigenaar te kennen geeft daartoe bereid en in staat te zijn, bestaat er in beginsel geen noodzaak tot onteigening.

Hierop kan een uitzondering worden gemaakt in de situatie dat de verzoeker om onteigening een andere vorm van planuitvoering wenst dan die welke de grondeigenaar voor ogen staat. Andere situaties die een beroep op zelfrealisatie in de weg kunnen staan, zijn dat de grondeigenaar niet over voldoende aaneengesloten grond beschikt om de bestemming op doelmatige wijze zelf te kunnen realiseren of als de te onteigenen gronden geen afzonderlijk deel van het uit te voeren project kunnen vormen.

In het bijzonder overweegt de Kroon dat uit het onderzoek en de overgelegde stukken is gebleken dat reclamante 1 in ieder geval vanaf 2013, bij de ontwikkeling van het bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost, herhaaldelijk aan de gemeente kenbaar heeft gemaakt dat zij bereid en in staat is om de aan haar gronden toegekende bestemmingen zelf te realiseren. Dit standpunt heeft reclamante 1 gehandhaafd na de vaststelling van het bestemmingsplan Badhoevedorp De Veldpost en de daarin opgenomen bestemming Sport – 2. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente van meet af aan het beroep op zelfrealisatie heeft afgewezen, met de redenering dat reclamante 1 niet over alle benodigde gronden beschikt, het uit een oogpunt van integraal beheer en onderhoud wenselijk is als het gehele sportpark op grond van de gemeente ligt, de sportverenigingen een belangrijke maatschappelijke functie hebben voor Badhoevedorp en dat de continuïteit daarvan onvoldoende geborgd is als de verenigingen afhankelijk zijn van een huurrelatie met een commerciële partij. Dat de gemeente zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat zij zelfrealisatie geen reële mogelijkheid acht, betekent niet dat de gemeente niet serieus is ingegaan op de wens tot zelfrealisatie van reclamante 1.

Naar oordeel van de Kroon doet het beroep op zelfrealisatie van reclamante 1 in dit geval niet af aan de noodzaak tot onteigening van de benodigde gronden. Daartoe overweegt de Kroon  gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de hoorzitting als volgt.

Op de gronden van reclamante 1 dient de bestemming Sport – 2 gerealiseerd te worden. Daaronder valt het realiseren van het sportpark De Veldpost, bestaande uit onder andere een honkbalveld, een softbalveld, acht voetbalvelden, twee clubhuizen en een tribune. Daarnaast zullen parkeerplaatsen, fietsenstallingen, een ontsluitingsweg en groen worden gerealiseerd.

Vast staat dat de beschreven voorzieningen meer grond beslaan dan reclamante 1 in eigendom heeft. Drie van de tien sportvelden, de parkeervoorzieningen en het aan te leggen groen liggen deels buiten het te onteigenen perceelsgedeelte. Reclamante 1 kan de bestemming daarom niet geheel op eigen grond realiseren. Anders dan reclamante 1 betoogt, ziet de Kroon geen grond voor het oordeel dat de te onteigenen grond een afzonderlijk zelfstandig uit te voeren onderdeel vormt van het totale te realiseren sportpark, zoals het volgens het DSO door de gemeente is voorzien. Verder komt het standpunt van verzoeker dat het ondoelmatig is als de sportvelden deels door de ene en deels door een andere partij worden aangelegd, beheerd en onderhouden, de Kroon niet onjuist voor. Bovendien behelst de voorgestane wijze van planuitvoering, zoals neergelegd in het DSO, aan de noordzijde, oostzijde en in het midden een groene inrichting. Deze inrichting maakt deel uit van de Groene As, een ecologische verbindingszone tussen Amstelland en Spaarnwoude. Bij het ontwerp van de Groene As is het uitgangspunt om het deel langs de Spaarnwoudertocht in samenhang met de aanleg van het nieuwe sportpark De Veldpost te realiseren. Dit deel van de Groene AS is namelijk direct verbonden met het sportpark en is gesitueerd tussen het sportpark en de bestaande infrastructuur en bebouwing van Badhoevedorp. Gelet op deze samenhang met de Groene As, die deels gaat overlopen in het sportpark, deelt de Kroon het standpunt van verzoeker dat het vanuit een oogpunt van een doelmatige aanleg en beheer, alsmede van een integraal beheer, noodzakelijk is dat de gronden van reclamante 1 door de gemeente in één hand gehouden moeten worden. In dit verband verwijzen Wij naar bestendig beleid van de Kroon, zoals weergegeven in het KB van 17 november 2017, nr. 2017002004, Stcrt. 2017, nr. 69729 (Pijnacker-Nootdorp). Verder komt het standpunt van verzoeker de Kroon niet onjuist voor, dat het vanwege de maatschappelijke functie van de sportverenigingen en het belang van continuïteit daarvan, doelmatig is dat de gronden door de gemeente in één hand gehouden worden. Het zou een particuliere eigenaar, zonder belang bij de maatschappelijke functie, immers vrij staan om een mogelijke huurrelatie op te zeggen en binnen de bestemming een ander gebruik aan de gronden te geven. Op die manier worden de sportverenigingen afhankelijk van mogelijke veranderde inzichten van hun commerciële verhuurder. Dat reclamante 1 naar gesteld bereid is om in overleg met de gemeente adequate huurbepalingen af te spreken, doet aan het vorenstaande naar oordeel van de Kroon niet af.

Ten aanzien van de kenbaarheid van de wijze van planuitvoering verwijst naar het KB van 13 december 2012, nr. 12.003005, Stcrt. 2013, nr. 176 (Oss). Daarin is overwogen dat indien een eigenaar het bestemmingsplan zelf wil realiseren wat betreft zijn in het plan gelegen onroerende zaken, mag worden verwacht dat hij daartoe zelfstandig op basis van het bestemmingsplan concrete – op uitvoering gerichte – plannen ontwikkelt en deze kenbaar maakt aan de gemeente. Het bestemmingsplan en het exploitatieplan geven voldoende inzicht voor een eigenaar om te beslissen of hij zijn eventuele wensen tot zelfrealisatie zal doorzetten.

Door reclamante 1 zijn tot op heden geen concrete plannen strekkende tot zelfrealisatie aan de gemeente overgelegd. Ook heeft zij geen omgevingsvergunning aangevraagd. Dat dit voor reclamante 1 niet mogelijk was, omdat essentiële informatie daarvoor ontbrak en nog steeds ontbreekt, dan wel niet door de gemeente beschikbaar wordt gesteld, volgt de Kroon niet. Zoals volgt uit bestendig Kroon beleid en het hiervoor genoemde KB van 13 december 2012 (Oss) kan de vorm van planuitvoering worden afgeleid uit de planregels en de toelichting van een bestemmingsplan alsmede in al dan niet daarvan deel uitmakende inrichtings- en verkavelingsschetsen. De gewenste vorm van uitvoering kan ook tot uitdrukking komen in een exploitatieplan. In dit geval waren ten tijde van het verzoekbesluit behalve het bestemmingsplan en het exploitatieplan ook het eerder genoemde Definitief Stedenbouw-kundig Ontwerp Sportpark De Veldpost uit 2015 (DSO) beschikbaar, dat eveneens als bijlage bij het exploitatieplan is gevoegd. Volgens verzoeker is hierin de door haar voorgestane wijze van planuitvoering vastgelegd. Het DSO bevat een vrij gedetailleerd ontwerp van het sportpark en de beoogde voorzieningen. Het standpunt van verzoeker dat de wijze van planuitvoering uit deze openbare stukken voor reclamante 1 voldoende kenbaar was, komt de Kroon dan ook niet onjuist voor. Desgevraagd tijdens de hoorzitting heeft verzoeker aangegeven dat meer gedetailleerde tekeningen, bestekken en een programma van eisen van de sportverenigingen, nog niet beschikbaar zijn en dus ook niet aan reclamante 1 konden of kunnen worden verschaft. Er bestaat naar oordeel van de Kroon dan ook geen reden om aan te nemen dat de gemeente niet aan haar informatieplicht heeft voldaan. De Kroon kan verzoeker volgen in het standpunt dat het op de weg van reclamante 1 had gelegen om de stukken te vervaardigen die nodig zijn voor onder meer het aanvragen van een omgevingsvergunning en dat reclamante 1 bereid en in staat moest worden geacht om concrete plannen tot zelfrealisatie in te dienen, maar dat zij dit niet heeft gedaan.

Dat het voor reclamante 1 naar gesteld vanwege de eisen uit het exploitatieplan niet mogelijk is om een zelfrealisatieplan in te dienen of een omgevingsvergunning aan te vragen, leidt de Kroon niet tot een ander oordeel. De inhoud van het exploitatieplan staat in deze procedure niet ter beoordeling. Het exploitatieplan is nog niet onherroepelijk, nu daarover nog een beroepsprocedure aanhangig is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tot slot treft de verwijzing door reclamante 1 naar het KB van 28 maart 2018, nr. 20180005741, Stcrt. 2018, nr. 22114 (Kaag en Braassem), ter onderbouwing van het betoog dat de onteigening prematuur is, naar oordeel van de Kroon geen doel. In die zaak was de omstandigheid aan de orde dat de desbetreffende gemeente de eigenaar tot een bepaalde datum in de gelegenheid had gesteld om een zelfrealisatieplan in te dienen, maar de gemeente desalniettemin vóór die datum al een verzoekbesluit had genomen. Daarvan heeft de Kroon geoordeeld dat het verzoekbesluit prematuur was en dat er ten tijde van het nemen van het desbetreffende verzoekbesluit geen onteigeningsnoodzaak aanwezig was. Deze specifieke omstandigheden doen zich in dit geval niet voor, nog daargelaten dat in de zaak Kaag en Braassem door de desbetreffende eigenaar, anders dan in dit geval, wel een uitgewerkt zelfrealisatieplan werd ingediend binnen de door de gemeente daarvoor gestelde termijn.

Bron: 
Zie ook: 
Categorieën: 
Dossiers: