Nieuws

KB onteigening gemeente Eindhoven (wijze van uitvoering) (Titel IV)

Ook ten aanzien van reclamant 2 is de Kroon van oordeel dat verzoeker met de stukken bij het onteigeningsplan voldoende inzicht heeft verschaft in de voorgestane wijze van planuitvoering. De Kroon kan reclamant dan ook niet volgen in zijn stelling dat verzoeker niet duidelijk heeft gemaakt hoe het plan op zijn grond en binnen het daarop geprojecteerde bestemmingsplanvlak zal worden uitgevoerd.

Koninklijk Besluit van 24 april 2020, nr. 2020000819, inzake onteigening ingevolge Titel IV van de Onteigeningswet in de gemeente in de gemeente Eindhoven krachtens artikel 78 van de Onteigeningswet (onteigeningsplan Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best). De Kroon oordeelt ter zake onder meer als volgt.

De zienswijze van reclamant 2

Er is niet voldaan aan [%WR Onteigeningswet ART 79|artikel 79 onder ten achtste van de Onteigeningswet%] waarin is bepaald dat ter inzage gelegd moeten worden andere documenten waaruit kan blijken welke wijze van uitvoering de verzoeker voor ogen staat. In de procedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan heeft reclamant ook al verzocht om stukken waaruit de wijze van planuitvoering blijkt. Thans ontbreken deze andermaal. Bij de ter inzage gelegde stukken zitten alleen bestemmingsplantekeningen dan wel tekeningen die geen duidelijkheid geven over de wijze van uitvoering. Reclamant wijst erop dat het op zijn onroerende zaak niet alleen om de aanleg van een weg gaat maar ook om compensatie van groen. Niet de gehele onroerende zaak van reclamant wordt onteigend, een groot deel daarvan blijft zijn eigendom. Een belangrijk deel daarvan heeft een bedrijfsbestemming zodat het voor reclamant van groot belang is te weten hoe de detailtekeningen er precies uitzien. 

Reclamant wijst er verder op dat zijn onroerende zaak verschillende hoogtes kent. Niet duidelijk is hoe de hoogteverschillen ter plaatse worden overwonnen of wat daarmee gaat gebeuren en welke voorzieningen daarvoor worden getroffen. Reclamant heeft aldus ook een heel concreet belang. Dit klemt temeer omdat het beoogde wegtracé direct naast maar waarschijnlijk een stuk hoger komt te liggen dan het overblijvende deel met de bestemming Bedrijf. Uit de kaarten en tekeningen moet kunnen worden afgeleid of niet meer grond onteigend zal worden dan strikt voor de uitvoering van het werk nodig is. De overgelegde kaarten en tekeningen zijn daarvoor veel te globaal en niet volstaan kan worden met de kaarten en/of tekeningen uit het vastgestelde bestemmingsplan. Reclamant wijst er overigens op dat hij ook al vaker om duidelijke tekeningen heeft gevraagd. Ter zitting heeft reclamant in dat kader benadrukt dat het van groot bedrijfseconomisch belang is dat er een adequate oplossng komt. In het gevoerde minnelijk overleg is hier regelmatig naar gevraagd. Verzoeker heeft daarop alleen een profieltekening verstrekt die totaal niet slaat op de onroerende zaak van reclamant en waaruit niet blijkt welke technische voorzieningen er worden aangelegd. 

Kroon

De zienswijze van reclamant komt gedeeltelijk overeen met de zienswijze van reclamante 1 zoals deze onder 1.1 is samengevat. Ook ten aanzien van reclamant 2 is de Kroon van oordeel dat verzoeker met de stukken bij het onteigeningsplan voldoende inzicht heeft verschaft in de voorgestane wijze van planuitvoering. Uit de door verzoeker bij het onteigeningsplan overgelegde Overzichtstekening Wegenstructuur Brainport Park (Bereikbaarheidsplan), die met de overige stukken voor belanghebbenden ter inzage heeft gelegen, blijkt dat de grond van reclamant nodig is voor de aanleg van een nieuw weggedeelte ter verbinding van de bestaande Anthony Fokkerweg en de Spottersweg/Landard. Op de grond is tevens de aanleg van groen en natuur voorzien, met inbegrip van een voorziening voor waterretentie. Dit is in overeenstemming met de regels behorend bij het bestemmingsplan. De Kroon kan reclamant dan ook niet volgen in zijn stelling dat verzoeker niet duidelijk heeft gemaakt hoe het plan op zijn grond en binnen het daarop geprojecteerde bestemmingsplanvlak zal worden uitgevoerd. Gelet hierop bestaat er ook geen aanleiding om te oordelen dat niet voldaan is aan het gestelde in paragraaf 2.3.1 van de Handreiking. 

Voor zover reclamant van mening is dat uit de ter inzage gelegde kaarten en tekeningen niet kan worden afgeleid of niet meer grond onteigend zal worden dan strikt voor de uitvoering van het werk nodig is, merkt de Kroon op dat uit de door verzoeker overgelegde projectietekening, waarin de grondtekening gecombineerd is met de verbeelding bij het bestemmingsplan, blijkt dat niet meer onteigend wordt dan strikt op basis van de grens van dat plan mogelijk is. Voorts blijkt uit de hiervoor genoemde overzichtstekening dat het werk binnen deze begrenzing kan worden gerealiseerd en dat er overigens geen werkterrein nodig is om het werk te kunnen realiseren. In de hoorzitting heeft verzoeker bevestigd dat het werk binnen de plan- en onteigeningsgrens zal worden gerealiseerd en dat eventuele hoogteverschillen in het terrein in het talud van de weg zullen worden opgevangen. De Kroon heeft geen reden om hieraan te twijfelen, waarbij zij aangetekend dat verzoeker op basis van voorliggend besluit ook geen grotere oppervlakte zal kunnen onteigenen dan de oppervlakte die is aangegeven in de bij dit besluit behorende lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken. 

Overigens merkt de Kroon op dat de uitvoering van het werk op de grond van reclamant en de gevolgen voor het overblijvende ook aan de orde is geweest in het kader van de behandeling van zijn beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In de hierboven al genoemde uitspraak van 4 juli 2018 overweegt de Afdeling onder meer dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan van belang heeft kunnen achten dat reclamant een bedrijfsperceel behoudt van ongeveer 7100 m2, waarvan een groot deel kan worden bebouwd. De Afdeling heeft geen grond gezien om te twijfelen aan de stelling van de raad dat deze oppervlakte groot genoeg is om daarop nog bedrijfsactiviteiten te kunnen uitvoeren en bebouwing op te kunnen richten. Daartoe is onder meer van belang dat de raad, concreet geïllustreerd met een aantal kaartjes, heeft aangetoond dat op de grond een aantal invullingen met bedrijfsbebouwing mogelijk is van voldoende omvang. Reclamant heeft volgens de Afdeling niet, met gegevens onderbouwd, aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is. 

Met betrekking tot het gestelde over het niet overleggen door verzoeker van een profieltekening met betrekking tot grond van reclamant merkt de Kroon op dat verzoeker in de hoorzitting heeft gewezen op een dwarsprofiel dat in de zakelijke beschrijving bij de onteigeningsstukken is opgenomen. Dit profiel ziet op weliswaar op de Verlengde Spottersweg maar gaat aldus verzoeker ook over de grond van reclamant. Verzoeker heeft in de hoorzitting tevens gewezen op een dwarsprofiel dat bij het verweerschrift in het kader van het beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan is gevoegd. Verzoeker heeft toegezegd dit dwarsprofiel aan reclamant beschikbaar te stellen en heeft dit ook gedaan. Voorts merkt de Kroon op dat uit de overgelegde stukken en hetgeen in de hoorzitting naar voren is gekomen blijkt, dat verzoeker tot heden geen toegang tot de onroerende zaak van reclamant heeft verkregen. Daardoor heeft verzoeker (nog) geen dwarsprofiel ter plaatse van de grond van reclamant kunnen maken. 

Bron: 
Zie ook: 
Categorieën: 
Dossiers: