Nieuws

KB onteigening gemeente Amersfoort (planologische grondslag / onderbouwing) (Titel IV)

In casu is sprake van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12, lid 1, sub a onder 1 Wabo afgegeven op grond van de afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan (artikel 23.1.b van de planregels) ter uitvoering van het bestemmingsplan. In tegenstelling tot wat reclamante beweert is het bestemmingsplan conform artikel 77, 1ste lid, onder 1 Ow de grondslag voor de onteigening.

Koninklijk Besluit van 1 mei 2020, nr. 2020000906, inzake onteigening ingevolge Titel IV van de Onteigeningswet in de gemeente Amersfoort krachtens artikel 78 van de Onteigeningswet (onteigeningsplannen Westelijke ontsluiting en Westelijke ontsluiting II). De Kroon oordeelt ter zake onder meer als volgt.

Reclamante 1 betoogt, wat betreft de ondergrondse verankering van de keervoorziening, dat het verzoek ter onteigening van het gedeelte van de onroerende zaak waar deze verankering is voorzien, moet worden afgewezen, omdat daar geen planologische grondslag voor is. Zij voert aan dat de binnenplanse ontheffing geen grondslag kan zijn voor onteigening gezien de eisen van artikel 77 Ow. De vergunning is verleend op grond van artikel 2.12, 1ste lid, onder a, onder 1 Wabo, een binnenplanse ontheffing. Op grond van artikel 77 Ow is onteigening alleen mogelijk ter uitvoering van een vergunning die is verleend op grond van artikel 2.12, 1ste lid, onder a, onder 3 Wabo. Doordat de wettekst van de Onteigeningswet limitatief is en deze vergunning daar niet in voorkomt, kan dit geen grondslag voor onteigening zijn.  

Verder is reclamante van mening dat het onteigeningsinstrument een te zwaar middel is om af te dwingen dat de ondergrondse verankering van de keervoorziening op een gedeelte van haar gronden wordt gerealiseerd. Zij meent dat hier het minder zware middel van gedoogplicht op basis van de Belemmeringwet Privaatrecht opgelegd had moeten worden, waarmee hetzelfde resultaat kan worden bereikt en waarmee reclamante haar eigendom behoudt. Ook daarom kan dit onteigeningsverzoek niet worden gehonoreerd. Zij verwijst hierbij naar paragraaf 3.7 van de Handreiking administratieve onteigeningsprocedure van Rijkswaterstaat Corporate Dienst (de Handreiking). 

Kroon

Wat betreft hetgeen reclamante opvoert ten aanzien van de grondslag voor de onteigening overweegt de Kroon het volgende. Reclamante meent dat de omgevingsvergunning, geen grondslag kan bieden voor onteigening op grond van artikel 77 Ow. Zij meent dat onteigening slechts mogelijk is op grond van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12, 1ste lid, onder a, onder 3 Wabo, de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 77, lid 1, onder 3 ow. De Kroon overweegt dat de in artikel 77, 1ste lid, onder 3 Ow genoemde omgevingsvergunning ziet op afwijking van het bestemmingsplan in overige gevallen. Dit artikel maakt mogelijk dat onteigening kan plaatsvinden op grond van een omgevingsvergunning in gevallen dat het betreffende bestemmingsplan géén afwijkingsmogelijkheden biedt. In casu is echter sprake van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12, lid 1, sub a onder 1 Wabo afgegeven op grond van de afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan (artikel 23.1.b van de planregels) ter uitvoering van het bestemmingsplan. In tegenstelling tot wat reclamante beweert is derhalve het bestemmingsplan conform artikel 77, 1ste lid, onder 1 Ow de grondslag voor de onteigening. 

Bron: 
Zie ook: 
Categorieën: 
Dossiers: