Nieuws

Bestemmingsplan en geen wettelijke verplichting opstellen planschaderisicoanalyse

Met betrekking tot het betoog dat een planschaderisicoanalyse had moeten worden opgesteld overweegt de Afdeling dat daartoe geen wettelijke verplichting bestaat. Wel dient de raad, gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro, inzicht te bieden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

Achtergrond
Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft de raad van de gemeente Breda het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" vastgesteld. Het plan voorziet in een reparatie van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost", zoals dat eerder werd vastgesteld op 13 juli 2017. Appellant kon zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ten noorden van zijn woning aan de [locatie] te Bavel. Bij uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1117) is, voor zover van belang, het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ten noorden van het woonperceel van appellant vernietigd. Appellant verzet zich tegen het plan, omdat volgens hem nog altijd onvoldoende is onderbouwd dat een bedrijfsbestemming ten noorden van zijn woning passend is. In beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt.

Beroep
Appellant stelt dat ten onrechte geen planschadeanalyse is gemaakt.

Afdeling
Met betrekking tot het betoog dat een planschaderisicoanalyse had moeten worden opgesteld overweegt de Afdeling dat daartoe geen wettelijke verplichting bestaat. Wel dient de raad, gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro, inzicht te bieden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Daarbij kunnen eventueel te betalen tegemoetkomingen in planschade een rol spelen. 

In hoofdstuk 7 van de plantoelichting heeft de raad inzicht geboden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Daarnaast stelt de raad dat het plan niet zal leiden tot een bedrag dat voor planschade in aanmerking komt, omdat de maximale mogelijkheden die worden geboden in het voorliggende plan minder zijn dan in het vorige plan. Het plan maakt ter plaatse maximaal 800 m2 bedrijfsbebouwing mogelijk, in plaats van de ongeveer 5000 m2 agrarische bebouwing die maximaal mogelijk was op basis van het vorige plan. 

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat zodanige planschade zal ontstaan dat de gemeente de planschade die kan ontstaan als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan financieel niet kan dragen en dat de financiële uitvoerbaarheid aldus niet is verzekerd. Het betoog faalt.

ECLI:NL:RVS:2020:2232| Afdeling bestuursrechtspraak 16 september 2020, zaaknummer 201908677/1/R2 (r.o. 6.1), uitspraak betreffende Bestemmingsplan en geen wettelijke verplichting opstellen planschaderisicoanalyse

Bron: 
Zie ook: 
Categorieën: 
Dossiers: